Java aap “Ouwe Juud” 

In november 1972 kwam mannetjes Java aap Judy binnen. Judy was de tweede aap die de weg naar de, in oprichting zijnde, Apenhof vond. Een kleine Java aap met doffe ogen en een verleden waar niemand veel goeds over vertelde. Zijn vorige eigenaar had hem een “vals kreng” genoemd. Hij beet, zei hij. Onberekenbaar. Het beste was om hem maar te laten “afmaken”. Maar wie goed keek, zag iets anders, Judy zag namelijk bijna niets.

De wereld om hem heen bestond uit vage schimmen en plotselinge bewegingen. Handen die onverwacht verschenen maakten hem bang. Stemmen die hard klonken joegen hem in paniek. En uit angst beet hij van zich af. Niet omdat hij gemeen was, maar omdat hij dacht dat hij zich moest verdedigen.

Jarenlang had hij alleen op een zolder geleefd. Een hok onder een schuin dak, ver weg van geluiden van soortgenoten. Geen speelkameraadjes, geen warmte, geen troost. Alleen stof, stilte en eenzaamheid.

Toen Judy eenmaal op zijn nieuwe plek was, begon langzaam duidelijk te worden wie hij werkelijk was. Achter zijn angst zat een gevoelige aap die vooral rust nodig had. Dick sprak hem eerst zacht voordat hij dichterbij kwamen. Geen plotselinge bewegingen meer. Geen straf. En toen gebeurde iets wat zijn leven veranderde.

Judy kreeg een maatje.

 

Voor het eerst hoefde hij niet meer alleen te zijn. Hij ontdekte hoe het was om naast een andere aap te slapen, samen te eten, elkaar gerust te stellen. Later verhuisde hij mee naar de nieuwe verblijven, daar kreeg hij ook zijn allerbeste kameraad: Sementha.

Sementha was net als Judy een aap met een beperking. Misschien begrepen ze elkaar daarom zo goed. Twee dieren die allebei niet helemaal pasten in de harde wereld, maar bij elkaar rust vonden. Ze zaten vaak dicht tegen elkaar aan, alsof ze zonder woorden wisten wat de ander nodig had.

In de loop der jaren werd Judy een bekend gezicht. Oudere vrijwilligers glimlachten wanneer hij eraan kwam schuifelen. Hij kreeg een bijnaam die met warmte werd uitgesproken: “Ouwe Juud.”

Hij was geen zielig aap meer. Geen “vals kreng”. Hij was gewoon Juud – koppig soms, voorzichtig altijd, maar geliefd. Toen hij ouder werd, kreeg hij gezondheidsproblemen. Er volgden meerdere operaties. Iedere keer hoopte men dat hij nog wat langer kon blijven. Maar uiteindelijk kwam het moment waarop verder leven alleen nog pijn betekende. Met veel verdriet werd besloten hem te laten inslapen. Uiteindelijk mocht Judy maar liefst drieëntwintig jaar samenleven met soortgenoten.

Na zijn dood bleef het stil in het verblijf. Alsof er iets ontbrak wat niet meer terug kon komen. Maar het meest bijzondere gebeurde ergens anders. De papegaaien. Die hadden jarenlang de stemmen van de verzorgers gehoord. Telkens weer diezelfde roep: “Ouwe Juud!”. En nog lange tijd nadat Judy er niet meer was, klonk het ineens door de gangen. “Ouwe Juud… Ouwe Juud…” Alsof hij toch nog een beetje aanwezig was. Niet meer zichtbaar, maar zeker niet vergeten.